Droom
Gerrit Komrij
Ik woonde in een speelgoedstolp van glas.
Zo'n bol waarin het sneeuwen gaat in dikke
En trage vlokken, als een kind hem pas
Heeft omgedraaid. Dat was me even schrikken.
Het gras stak stil en hoog boven mij uit.
De lucht was blauw geverfd. Ik zag het tikken
Van iemands vinger, zonder één geluid.
Er waren sterretjes als speldenprikken.
Toen werd ik wakker. Languit in het gras
Zag ik de blauwe hemelkoepel trillen.
De sterretjes nog steeds oneindig klein.
Een wind stak op. Het gras begon te rillen.
En ergens klonk, niet ver van waar ik was,
Het huilen van een hogesnelheidstrein.
Dream
Arno Bohlmeijer
I was living in a toy glass globe,
One of those where it snows in slow
And thick flakes, right after a child
Has flicked it. That gave me a fright.
The grass was quiet and high above me.
The sky was painted blue. I saw the tapping
Of someone’s finger without a single sound.
There were little stars, like pinpricks.
Then I woke up. Sprawled in the grass,
I saw the arch of blue sky trembling,
The stars remained infinitely small.
A wind picked up. The grass began to shake.
And somewhere, not far from where I lay,
Sounded the howling of a high-speed train.